← Terug naar Les 1

Woordenlijst

Alle woorden en zinnen van Les 1: Introductie

👤Persoonlijke voornaamwoorden

I Ik
You Jij / Je
He Hij
She Zij (vrouw)
It Het
We Wij
They Zij (meervoud)

Vraagwoorden (Question words)

Who Wie
What Wat
Where Waar
When Wanneer
Why Waarom
How Hoe

🔗Verbindingswoorden (Connecting words)

And En
But Maar
Because Omdat
Also Ook
Then Toen / Dan

📊Hoeveelheden (Quantities)

Some Sommige / Wat
Any Iets / Enige
Many Veel (telbaar)
Much Veel (ontelbaar)

📍Tijd en Plaats (Prepositions)

In In
On Op
Under Onder
Next to Naast
At Bij / Aan
Today Vandaag
Tomorrow Morgen
Yesterday Gisteren
Now Nu
Later Later

↔️Tegenstellingen (Opposites)

Big Small Groot ↔ Klein
Happy Sad Blij ↔ Verdrietig
Easy Difficult Makkelijk ↔ Moeilijk
Fast Slow Snel ↔ Langzaam
Cheap Expensive Goedkoop ↔ Duur

📝Onregelmatige werkwoorden

To be
was/were — been
zijn
To have
had — had
hebben
To go
went — gone
gaan
To see
saw — seen
zien
To do
did — done
doen
To eat
ate — eaten
eten
To drink
drank — drunk
drinken
To make
made — made
maken
To write
wrote — written
schrijven
To read
read — read ⚠️
lezen (let op uitspraak!)
To come
came — come
komen

💬Basiszinnen

  • I am... — Ik ben...
  • I have... — Ik heb...
  • I like... — Ik hou van... / Ik vind ... leuk
  • Do you like...? — Hou jij van...? / Vind jij ... leuk?
  • My name is... — Mijn naam is...
  • I live in... — Ik woon in...
  • I am ... years old. — Ik ben ... jaar oud.